
In het boslandschap tussen Donau, Bohemer Woud en de grens met Oostenrijk ligt het beschermde Nationalpark Bayerische Wald - het eerste Duitse nationale park dat werd opgericht in 1970: hier heeft alleen de natuur het voor het zeggen. Het Beierse woud loopt ten noorden van de Donau tussen Regensburg en Passau langs de weghellingen omhoog en volgt de rivier van het noordwesten naar het zuidoosten. Het Vordere Wald tussen Donau en Regen, respectievelijk de loop van de Ilz, kent slechts weinig toppen die boven de 1000 meter grens liggen. Het Hinterwald tussen de Oostenrijkse grens en het Cham-Further-dal heeft daarentegen een aantal toppen tot 1400 meter en bereikt in de Große Arber (1456 m) zijn grootste hoogte. Dit gebied werd pas in de late middeleeuwen bevolkt. Behalve van de landbouw leefden de bosmensen vooral van het hout, de mijnbouw en de glasproductie in zogenaamde Wanderhüten, mobiele glasblazerijen. Kralen, raamwerk en drinkglazen uit deze streek trof men in alle Europese vorstenpaleizen aan.

Vandaag lopen in de moderne glasfabrieken dagelijks een groot aantal producten van de band, de oude ambachtelijke traditie van de glaskunst wordt echter nog steeds beoefend. Het grootste aaneengesloten bosgebied en eerste nationale park van Duitsland is dus het Beierse Woud. Wie de ongerepte natuur in het Nationalpark Bayerischer Wald beleeft, met rotsen en veengebieden, met bergbeekjes, met lynxen, wolven en beren, begrijpt dat hij in het woud der wouden is. Het is een unieke belevenis, de ongerepte ontwikkeling van het bos te observeren en mee te maken, waar ontstaan en vergaan nog een natuurlijk proces vormen. Wie bang is, door louter bomen het bos niet meer te zien, kan gerust zijn: ook de kunstliefhebber zal zich hier nooit vervelen. Deze streek herbergt boeiende kunstschatten en de meest uiteenlopende musea geven de bezoekers een inzicht in de landstreek en zijn bewoners.


